| Burgemeesters teruggefloten |
|
|
|
26 januari '10 De oproep van de VNG (zie vorige bericht op deze site) aan minister Klink om burgemeesters niet de bevoegdheid te geven zelf te beslissen om te ruimen bij kleinschalige schapen en geitenhouders heeft vruchten afgeworpen. Vandaag stuurde de minister de kamerbrief_q-koorts26012010 waarin de ministers van LNV en VWS onder meer melden dat schapen en geiten op kinderboerderijen apart moeten aflammeren. Hieronder het persbericht van LNV. Kinderboerderijen apart aflammeren, bokken gedoodDit is een persbericht van de ministeries van VWS en LNV Persbericht | 26-01-2010 In het belang van de volksgezondheid worden alle bokken op met Q-koorts besmetverklaarde melkgeiten- en melkschapenbedrijven gedood. Dat schrijven de ministers Klink van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ( VWS) en Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ( LNV) vandaag aan de Tweede Kamer. Ook moeten schapen en geiten op kinderboerderijen apart aflammeren. BokkenOok bokken en rammen kunnen besmet zijn met de Q-koortsbacterie. Besmette bokken en rammen kunnen vrouwelijke dieren tijdens het dekken infecteren. Bij bokken is het net als bij geiten en schapen op korte termijn niet mogelijk onderscheid te maken tussen besmette en niet- besmette dieren. Daarom hebben de ministers besloten dat alle bokken en rammen op besmette bedrijven geruimd moeten worden. Dit gebeurt als de Voedsel en Waren Autoriteit de besmette bedrijven voor de tweede keer bezoekt om dieren te scannen en drachtige dieren te taxeren en te ruimen. Die tweede ronde begint maandag 1 februari. KinderboerderijenKinderboerderijen en alle andere houderijen met een publieke functie worden verplicht om alle drachtige geiten en schapen volledig afgezonderd van publiek in een afgesloten ruimte af te laten lammeren. Wanneer een kinderboerderij niet de beschikking heeft over een dergelijke ruimte, zijn zij verplicht de drachtige geiten en schapen af te laten lammeren op een locatie zonder publieksfunctie. De verplichting tot het apart zetten geldt vanaf het moment waarop voor die dieren ten minste vier maanden van de dracht is verstreken tot twee weken na het lammeren. |


